Uitgangspunten gemeentefonds
Omdat de meicirculaire 2025 bij het opstellen van de kadernota nog niet voorhanden is, is er een prognose gemaakt van de inkomsten vanuit het gemeentefonds voor de periode 2025-2029 op basis van geactualiseerde maatstaven. Bij het maken van deze prognose zijn de verwachtingen voor de periode 2025-2029 meegenomen rondom het aantal inwoners, aantal woningen, de WOZ-waarde van woningen en niet-woningen, het aantal bijstandscliënten, het aantal lage inkomens, het aantal 75-plussers, het aantal jongeren onder 18 jaar en het aantal personen met migratieachtergrond.
De extra inkomsten vanuit het gemeentefonds bestaan uit twee componenten. Enerzijds uit een stuk indexatie, omdat de gemeente (gedeeltelijk) wordt gecompenseerd voor prijsstijgingen. Anderzijds uit een gedeelte op basis van de toename van diverse maatstaven.
De indexering van het accres is berekend op basis van eenmalig de toepassing van constante naar lopende prijs te hanteren van 2025 naar 2026. Dit heeft een meerjarig effect van 2,5%.
In de actualisering van de maatstaven is de groei van de gemeente meegenomen. Hierin zit onder andere een groei van het aantal bijstandsuitkeringen, lage inkomens, 75-plussers en het aantal jeugdigen. Het effect hiervan is dat de gemeente in de komende jaren fors extra inkomsten krijgt uit het gemeentefonds.
De groei van de gemeente leidt uiteraard ook tot extra lasten. Op dit moment is een gedeelte van deze lasten al meegenomen in het meerjarenperspectief. We hebben het dan over de kapitaallasten van onder andere de nieuwe scholen. Een groot gedeelte van de lasten als gevolg van de groei is echter nog niet opgenomen, zoals de extra uitgaven in het sociaal domein (Wmo, jeugd, onderwijs, et cetera). Er is daarom gekozen om niet de volledige extra inkomsten vanuit het gemeentefonds als gevolg van groei mee te nemen in de meerjarenbegroting.
De grootste uitgavenposten die gaan stijgen als gevolg van de groei zijn de kapitaallasten, bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen, uitgaven voor jeugd en de uitgaven voor Wmo. In 2026 bedragen de kapitaallasten ongeveer 15% van deze lasten. Omdat de kapitaallasten al verwerkt zijn in de meerjarenbegroting, is er gekozen om vanaf 2027 voorlopig jaarlijks 15% mee te nemen van de extra inkomsten (bovenop de groei in 2026) vanuit het gemeentefonds.
Wanneer de extra lasten op het sociaal domein en in de bijdragen aan de gemeenschappelijke regelingen als gevolg van de groei van de gemeente in het meerjarenperspectief zijn verwerkt, worden de volledige extra inkomsten vanuit het gemeentefonds ook meegenomen.
Het toepassen van een index van 2,5% op het accres en het meenemen van een gedeelte van de extra inkomsten door groei levert in 2026 een voordeel op van € 838.000, in 2027 een voordeel van € 935.000, in 2028 een voordeel van € 992.000 en in 2029 een voordeel van € 1.447.000.
Ten tijde van het maken van deze prognose was de Voorjaarsnota nog niet voorhanden. Uit de recent verschenen Voorjaarsnota blijkt dat er de komende jaren extra gelden naar gemeenten toe gaan. Dankzij een rekentool van PAUW kunnen gemeenten op hoofdlijnen inzichtelijk maken wat voor effecten de Voorjaarsnota heeft. In paragraaf 2 'Hoofdlijnen' is in de tabel weergegeven wat de verwachtingen zijn van de meicirculaire 2025 naar aanleiding van de Voorjaarsnota. Deze effecten komen dus bovenop bovenstaande beschreven prognose.
Zoals aangegeven is bovenstaande slechts een prognose van de meicirculaire 2025. De werkelijke effecten van de meicirculaire 2025 op de begrote saldi 2025-2029 zullen in een aparte memo naar de raad worden verstuurd, vóór de raadsbehandeling van de kadernota op 3 juli 2025.